BEM-norm (CPRG-norm)

Eisen voor de productie van infill

Ten behoeve van toepassingen met frequente contactmogelijkheden met personen stelt RecyBEM eisen aan de productie van infill. De eisen zijn vastgelegd in de BEM-norm, ook wel de CPRG-norm (Concentratie PAKs in RubberGranulaat). Deze door de branche zelf opgelegde norm voldoet aan het RIVM-advies door maximalisatie van de concentratie van de som PAK 8 (EU-lijst, verordening 1272/2013) tot 20 mg/kg. En ook stelt de BEM-norm een maximum van 75 mg/kg voor de som PAK 18 (EU-lijst).

Voor de productie en levering van granulaat voor infill van kunstgrasvelden of andere toepassingen met frequente contactmogelijkheden met personen stelt RecyBEM aanvullende eisen aan gecertificeerde recyclers. Deze eisen zijn gericht op een additionele waarborg van de productiekwaliteit (output), inclusief toepassing bij de eindgebruiker. RecyBEM controleert of de recyclers de testen voor o.a. de gehaltes PAKs in het rubbergranulaat hebben uitgevoerd en of ze dat op de juiste manier hebben gedaan om naleving van de BEM-norm te garanderen.

  1. Rubbergranulaat bestemd voor een toepassing met frequente contactmogelijkheden met personen, zoals het gebruik in sportvelden, dient alleen te bestaan uit gemalen voertuigbanden. Voor de productie van SBR-granulaat voor toepassing als infill dient het bedrijf uitsluitend recent afgedankte voertuigbanden te gebruiken waarvan de eigenschappen duidelijk zijn en die niet kunnen leiden tot kwaliteitsverlies. Het gebruik van bijvoorbeeld boerenbanden of banden die een alternatief gebruik hebben gehad is niet toegestaan bij de productie van toepassingen met frequente contactmogelijkheden met personen, zoals infill voor sportvelden (deze banden zijn mogelijk wel geschikt voor andere toepassingen van granulaat).
  2. Van iedere levereenheid maakt de producent een ‘verklaring grondstoffengebruik’ op, waarop de producent, de productiedatum, het materiaal, het eenheidsnummer en het gewicht per uitgeleverde eenheid vermeld staan.
  3. Gecertificeerde verwerkingsbedrijven bemonsteren de lopende productie van het granulaat conform het meest actuele protocol 1002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging en Bodembeheer (SIKB), waarbij er meerdere monsternames per dag plaatsvinden op de gestratificeerd aselect gelote tijdstippen. Elk monster bestaat uit een gelijk aan aantal grepen. Per maand ontstaat er een monster van ten minste 25 kg materiaal dat representatief is voor de maandproductie voor de specifieke toepassing. Dit maandmonster wordt gehomogeniseerd en wordt gebruikt voor het maken van drie deelmonsters, 10 kg ten behoeve van analyse (maandmonster), 2 kg ten behoeve van jaaranalyse (jaardeelmonster) en restant monster ten behoeve van back up.
  4. Het maandmonster wordt geanalyseerd op de individuele concentraties van de PAK 18 (EU-lijst), waarbij de som van de concentraties dient te voldoen aan de BEM-norm. De som 8 PAK (lijst REACH ANNEX XVII, ENTRY 50) is maximaal 20 mg/kg rubbergranulaat en vanaf 2020 is de som 8 PAK maximaal 15 mg/kg rubbergranulaat. De som 18 PAK (lijst EPA) is maximaal 75 mg/kg rubbergranulaat.
  5. Gecertificeerde verwerkingsbedrijven laten het maandmonster analyseren door een laboratorium dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025.
  6. De samenstelling PAKs wordt bepaald met behulp van de methode volgens AfPS GS 2014:01 PAK.
  7. Gecertificeerde verwerkingsbedrijven laten jaarijks het gehomogeniseerde jaarmonster controleren met verschillende analyses, EN 71.3, Migratieproef, Uitloging (AP04), Ftalaten-gehalte, Benzothiazolen, SVHC-screening. De analyse wordt uitgevoerd door een laboratorium dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025. De uitloging wordt bepaald door een hiervoor geaccrediteerd laboratorium conform de methode van protocol AP04 voor granulaire bouwstoffen conform de Regeling Bodemkwaliteit. Het gehalte zeer zorgwekkende stoffen en kandidaat stoffen (Reach EC 1907/2006, actuele candidate list SVHC van het Europees Agentschap Chemische Stoffen (ECHA)) is kleiner dan 0,1 gewichtsprocent; Voor de SVHC-stoffen gelden de wettelijke grenswaarden. De uitloging van metalen voldoet aan de eisen van het Besluit en Regeling bodemkwaliteit (bijlage A, tabel 1, Niet vormgegeven bouwstoffen), met een uitzondering voor zink. De uitloging van zink is maximaal 240 mg/kg.